Denken zonder diagnose
Het is niet makkelijk om diagnose denken om te buigen naar denken in toestandsbeelden en urgenties. Wanneer je het toestandsbeeld bepaalt is het van belang om nog geen diagnose te hebben. Denk in ‘is dit urgent?’.
Wanneer je bij de eerste zinnen denkt ‘dit is …’ kan het zijn dat je je open oriëntatie overslaat en fouten gaat maken. Wanneer je de telefoon opneemt hoor je vaak niet alleen de patiënt of melder, maar ook de achtergrondgeluiden. De achtergrondgeluiden zeggen veel over situaties. Het toestandsbeeld bepaal je aan de hand van de informatie die de patiënt of melder geeft. En wat je hoort. Wanneer je trieert is het belangrijk je voor te stellen hoe het complete plaatje is. Als het goed is komen er direct vragen bij je op wanneer iemand vertelt wat er aan de hand is. Probeer tijdens triage geen sturende of gesloten vragen te stellen in de eerste fase, tenzij je denkt dat het hoog urgent is en er geen tijd te verliezen is.
Door het toestandsbeeld altijd uit te vragen voorkom je kokervisie. Het is noodzakelijk om een open en nieuwsgierige houding te hebben. Veel vragen die horen bij het toestandsbeeld kunnen overlappen met vragen die betrekking hebben tot de ABCDE. Het toestandsbeeld gaat echt over de volgende vragen. Let op, niet elke vraag stel je in elke triage. Dit zijn voorbeelden van vragen die je jezelf en de patiënt kan stellen tijdens triage.
- Wie
Wie heb je aan de lijn?
Kan de patiënt zelf aan de lijn komen?
Wie vertelt wat er aan de hand is?
Wie is er verder in de ruimte waar vandaan gebeld wordt? - Wat
Wat is er aan de hand?
Wat is de klacht?
Wat kan iemand nog zelfstandig?
Wat kan iemand niet meer zelfstandig? (Acuut?)
Wat is de reden dat er nu gebeld wordt?
Wat hoor je naast de stem van de patiënt of melder? - Waar
Waar is de patiënt op dit moment?
Waar is het begonnen? (Bijvoorbeeld bij buikpijn, zit het vanaf het eerste moment al op ‘die plek’)
Waar is het gebeurd? (In geval van een trauma) - Waarom
Waarom wordt er nu contact op genomen? (Zonder oordeel of aannames!)
Waarom is de eigen huisarts niet gebeld? (Zonder oordeel of aannames!) - Hoe
Hoe laat is het begonnen of gebeurd?
Hoe is het beloop?
Hoe gaat het op dit moment? (Verandering? Verslechtering? Verbetering? Vraag specifiek!)
Hoe klinkt de patiënt?
Hoe reageert de omgeving op de situatie? - Wanneer
Sinds wanneer heeft u deze klachten?
Wanneer was de laatste keer dat u dezelfde klachten had? (Denk bijvoorbeeld bij urineweginfecties aan recente antibiotica enz.) - Welke
Welke klachten zijn er?
Welke lichaamsdelen horen er bij deze klacht? (Denk bijvoorbeeld bij neurologische uitval aan halfzijdig)
Stel één vraag per keer. Luister aandachtig en noteer direct in ieder geval in steekwoorden wat het belangrijkste is wat de patiënt of melder heeft verteld. Geen aannames doen, altijd navragen als je het niet antwoord niet begrijpt of als de patiënt geen antwoord geeft op de vraag.
Houdt in je vraagstelling rekening met je taalgebruik. Is er sprake van een taalbarrière? Licht verstandelijke beperking? Angst? Stress? Agressie? Soms begrijpt de patiënt of melder je niet. Pas je taalgebruik aan aan de situatie. Geef altijd uitleg waarom je veel vragen stelt.
Zie hieronder een aantal voorbeelden en denk na of je zelf andere vragen zou stellen.